Geplaatst door: 
Verhaal

‘Snotneus’ uit Hengelo aan de wieg van discotown Oldenzaal.

Auteur: 
Ben Siemerink en Harry Jutten

In de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw was Oldenzaal het Mekka voor discogangers in de regio. In die jaren werd het ‘stedke van plezeer’ weekend na weekend overspoeld door jeugdig uitgaanspubliek, afkomstig uit naburige steden, het Twentse platteland en zelfs uit Duitsland. Samen met de Oldenzaalse jeugd leverde dat niet zelden lange rijen op voor de diverse deuren. Op een gegeven moment telde Oldenzaal een achttal discotheken, van groot tot piepklein, elk met een eigen sfeer en publiek. De bloeiperiode van Oldenzaal als ‘discotown’ besloeg zo’n 30 jaar; ruwweg van 1968 tot 1998. In die dertig jaar groeide Hengeloër Paul Borghuis uit tot de onbetwiste godfather. Niet alleen stond hij aan de wieg van de allereerste echte discotheek in Oldenzaal – de Trio Club – uiteindelijk luidde hij tegen wil en dank ook het einde van het disco-tijdperk in, toen zijn mega-discotheek de Jumbo Dancing roemloos ten onder ging.

Paul Borghuis was begin 20 toen hij in 1965 de kans kreeg om samen met Tonny Snijders en Jan Versteeg de populaire jongerenclub Rootie Tootie in het voormalige VIOS-gebouw in de Beekstraat in Hengelo over te nemen. Borghuis, die bouwkunde heeft gestudeerd aan de HTS, had toen al een paar jaar aan de deur gestaan van de club, waar de ervaren horecaman Theo Elschot regelmatig populaire bands uit binnen- en buitenland live een podium bood. Hoewel de Rootie Tootie-club inmiddels een klinkende naam was onder de liefhebbers van de opkomende beatmuziek in Hengelo en omgeving, besloot het trio toch dat de club na de doorstart een nieuwe naam moest krijgen. Ze kwamen er aanvankelijk niet uit. Totdat een hunner na de zoveelste vruchteloze sessie verzuchtte: wat zijn we toch een waardeloos trio, dat we geen naam kunnen bedenken. Trio Club wordt de nieuwe naam.

Gouden Leeuw

De nieuwe club was van meet af aan een doorslaand succes. Al na enkele jaren moest Paul Borghuis, die de discotheek inmiddels samen runde met Tonny Snijders, omzien naar een nieuwe locatie om de succesformule van de Trio Club verder uit te kunnen rollen. Begin 1968 kwam hem ter ore dat het voormalige hotel De Gouden Leeuw, in de Grootestraat in Oldenzaal, te koop stond. Borghuis zag wel brood in het monumentale witte pand, in de volksmond beter bekend als ‘Vastert’, naar de naam van de toenmalige eigenaar. Oldenzaal kende op dat moment enkel nog traditionele dancings als Roord, Kothman en De Kei. De beginnende horecaondernemer – zelf niet veel ouder dan zijn doelgroep - schatte in, dat de jeugd van Oldenzaal en uit de omgeving toe was aan een uitgaansgelegenheid, die wat beter aansloot bij de geest én de muziek van de tijd. Het interieur van het statige hotel, dat eind jaren ’60 nog altijd wel iets van de grandeur van weleer uitstraalde, werd door Borghuis met veel oud hout omgebouwd in western-stijl. Als naam koos hij voor: In de Rodeo Saloon.

Vrijkaartjes

In eerste instantie liep de club voor geen meter. Door de oudere Oldenzalers werd ‘die snotneus’ uit Hengelo, die ‘hun’ vertrouwde pleisterplaats volledig op de kop had gezet, met argwaan bejegend. De jeugd wist ook niet zo goed wat ze er mee aan moest. Jan ten Heuw uit Hengelo, die Borghuis heeft geholpen bij het realiseren van een bar aan de voorzijde en de verbouwing van de achterzaal van de Gouden Leeuw tot Rodeo Saloon, herinnert zich die periode nog goed. ‘Paul en ik braken ons het hoofd over een oplossing, maar niets leek aan te slaan.’ Dat veranderde toen er in 1968 in het kader van de VVV Feestweek (voorloper van de Boeskool is lös) een grote feesttent in het centrum van Oldenzaal werd neergezet. Daarin traden in die tijd populaire popgroepen op als The Buffoons en Cuby and the Blizzards, maar ook De Heikrekels. Borghuis en Ten Heuw deelden onder de honderden jongeren in de tent gratis vrijkaartjes uit voor discotheek Trio Club, zoals In de Rodeo Saloon inmiddels heette. Vanaf dat moment hoefde Paul Borghuis niet langer ‘omzet nihil’ in zijn kasboek te noteren. Ten Heuw: ‘Het werd wonder boven wonder iedere week steeds iets drukker. Door dat beginnende succes kwam er wat geld beschikbaar om leuke dingen te organiseren. De AVRO en Veronica kwamen bij ons langs met hun populaire drive-in shows. Nou, toen was het hek compleet van de dam. Ze hingen er in de weekends met de benen uit.’

Vriendschap

Hengeloër Ten Heuw (66) zette zijn eerste schreden op het horecapad in de vermaarde Rootie Tootie-club in zijn woonplaats, waar hij als 17-jarige een baantje kreeg in de garderobe. De discjockey in deze zaak van Theo Elschot was Gerard Smit. Beide heren zijn inmiddels overleden. ‘Gerard wilde af en toe wel eens een avondje vrij en zo ben ik begonnen met plaatjes draaien. Toen Paul Borghuis in het najaar van 1968 in hotel De Gouden Leeuw in Oldenzaal een nieuwe horecazaak begon, ging ik met hem samenwerken voor het timmer- en schilderwerk. Aan deze tijd heb ik een blijvende vriendschap overgehouden met Oldenzalers als Freddy Bruinink, Nico Engelbertink, Rudie Smit en Fred Weijschede uit Hengelo. Het waren eigenlijk gewoon klanten die binnen kwamen lopen om mee te helpen. Ik deed dat werk allemaal in mijn vrije uren naast mijn baan bij Dikkers in Hengelo.’ 

‘Schifting’

Aangezien jongeren van diverse pluimage – van ‘kakkers’ tot langharige alternatievelingen - in steeds grotere getale hun weg wisten te vinden naar de discotheek aan de Grootestraat, zag Borghuis zich al snel genoodzaakt om een ‘schifting’ aan te brengen in de bezoekersstroom. Hij koos voor de ‘kakkers’ als doelgroep voor zijn discotheek, hetgeen automatisch betekent, dat het wat alternatievere publiek met lang haar als uiterlijk kenmerk aan de deur werd geweerd. Achteraf bezweert Paul Borghuis dat aan dit deurbeleid beslist geen morele overwegingen ten grondslag lagen. ‘Met discriminatie had het helemaal niets te maken. Ik moest gewoon een keuze maken, want beide groepen toelaten zou leiden tot trammelant, vanwege de verschillen in cultuur en muzikale smaak. Persoonlijk had ik niks tegen lang haar. Ik had zelf nota bene redelijk lang haar in die tijd. Ik had ook niks tegen die alternatievelingen, want die waren over het algemeen heel vreedzaam.’ Vreedzaam of niet, de langharigen die niet werden toegelaten in de Trio Club, legden zich niet zonder slag of stoot neer bij het deurbeleid van Borghuis. Zo wist een groepje jongeren – het lange haar in staartjes gebonden – op een avond toch naar binnen te glippen, waarna ze bij wijze van ludieke actie stinkbommen lieten afgaan. De hele discotheek moest worden ontruimd. Paul Borghuis: ‘We hebben ook wel eens een sit down actie voor de deur gehad. Hadden we zo’n 100 man voor de deur zitten, die ons beschuldigden van discriminatie. De politie moest er aan te pas komen en ons eigen publiek moest via een achteringang naar binnen worden geleid.’

Herman Mulders

Tumult aan de deur zorgde er begin jaren ’70 voor dat Herman Mulders zijn entree maakte bij de Trio Club. Toen de toenmalige student elektrotechniek op een avond met een aantal kameraden door de Grootestraat liep – richting de Waagstraat, waar de nieuwe discotheek Apollo was gevestigd – stuitte hij op wat hij zo’n 40 jaar later eufemistisch omschrijft als een ‘handgemeen’ voor de deur van de voormalige Gouden Leeuw. Herman Mulders mocht vanwege zijn lange en wilde haren niet naar binnen bij de Trio Club. Dit, ondanks het feit dat een goede schoolkameraad John Hoekman er als portier aan de deur stond. Dat weerhield Herman en zijn maten er niet van om onvoorwaardelijk de kant van de portier te kiezen, toen deze probeerde een groepje lastige bezoekers buiten de deur te houden. Herman Mulders, die zich het voorval na al die jaren nog goed kan herinneren: ‘We zagen al gauw dat John het onderspit dreigde te delven, dus schoot ik hem te hulp. Toen het allemaal achter de rug was en de rust was weergekeerd, nodigden eigenaar Paul Borghuis en bedrijfsleider Rini oude Keizer ons uit om binnen even bij te komen en een pilsje te drinken. Dat was mijn eerste kennismaking met de Trio Club.’ Het resulteerde in een levenslange vriendschap met horecaondernemer Paul Borghuis, naar later bleek.

Compromis

Enige tijd later werd Herman benaderd door Paul Borghuis om voor hem als portier te komen werken. ‘Het compromis was dat er een stukje van mijn haar af moest. Ik wilde daar nog wel even over nadenken, maar ik kon als iedere student de centjes goed gebruiken.’ Herman Mulders vindt dat zijn rol als portier van toen niet te vergelijken is met de speciaal opgeleide jongens in zwarte kostuums die nu aan de deur staan met oortjes en instructies wat wel en wat vooral wat niet te doen. ‘Toon Tibben deed toen zo ongeveer hetzelfde bij de Apollo even verderop aan de Waagstraat. Ach, wij waren veel meer de gastheer van de zaak. Je maakte een praatje hier en suste wat daar, zo ging dat. We lachen nu om dat soort aantallen, maar het ging toen om groepen van soms wel vierhonderd mensen die naar binnen wilden. Voor ons voelde dat als een massa. Mijn vriendschap met Toon is al van die tijd.’

Trendsettend

Mulders verklaart het succes van de Trio Club mede vanuit het gegeven dat het de eerste in de stad was en heel trendsettend in die tijd. ‘Je moet weten dat wij het fenomeen discotheek hier nog helemaal niet kenden. Plaatjes draaien, dat deed je thuis voor je eigen plezier. Nu zat daar ineens iemand achter een draaitafel plaatjes voor anderen te draaien om samen op te dansen. De Trio-discjockeys van toen waren onder anderen Jan ten Heuw en Harry Goorhuis. Zelf heb ik steeds als portier bij de deur gestaan.’ In de loop der jaren bleef Herman Mulders zijn studie en later het werk als elektrotechnicus combineren met zijn betrokkenheid bij de bedrijven van Paul Borghuis. Zijn rol evolueerde geleidelijk van gastheer aan de deur tot organiseren en meedenken. ‘Paul en zijn toenmalige echtgenote Marian waren doorlopend bezig met ontwikkelen en vooruitkijken hoe ze het voortbestaan van hun bedrijf konden waarborgen.’

Winkelcentrum

Herman Mulders maakte ook van dichtbij mee hoe Paul Borghuis zich vastbeet in zijn strijd met de gemeente en met name de toenmalige wethouder Gerard Ankoné om zijn Trio Club in het historische pand van het voormalige hotel De Gouden Leeuw voor de ondergang te behoeden. In de tweede helft van de jaren ’70 begonnen de plannen voor een overdekt winkelcentrum in de totaal verpauperde volksbuurt de Vijfhoek eindelijk concreet vorm te krijgen, na veel (politieke) discussie en getouwtrek tussen projectontwikkelaars. Wethouder Gerard Ankoné was één van de grote voorvechters van het winkelcentrum, dat Oldenzaal omhoog moest stuwen in de vaart der volkeren. Paul Borghuis, inmiddels voorzitter van de Ondernemers Federatie Oldenzaal, behartigde de belangen van de middenstanders die inspraak willen in de plannen, bevreesd als zij waren dat een te grootschalig winkelcentrum de doodsteek zou betekenen voor veel kleine winkeliers. De kritiek op de plannen, ook vanuit de Oldenzaalse bevolking, verhevigde toen duidelijk werd dat het voormalige hotel De Gouden Leeuw en het naastgelegen historische pand, waarin de Amrobank was gevestigd, gesloopt zouden moeten worden om een grootse entree van het nieuwe winkelcentrum mogelijk te maken. Borghuis maakte zich - met twee petten op - sterk voor behoud van De Gouden Leeuw. Dat deed hij als eigenaar van de Trio Club én als belangenbehartiger – samen met Henk Hesselink namens de Oldenzaalse Ondernemers Federatie – van de middenstand. In een ultieme poging de afbraak van de Gouden Leeuw tegen te houden, richtten Borghuis en Hesselink zich op het allerlaatste moment nog tot de afdeling Rechtspraak van de Raad van State. Ze hadden een alternatief plan achter de hand, waarin de Gouden Leeuw behouden kon blijven. Het mocht allemaal niet meer baten. Het historische pand, op dat moment een kleine 150 jaar oud, viel onder de slopershamer.

Geesteskind

Herman Mulders herinnert zich nog goed dat Borghuis zich de sloop heel erg heeft aangetrokken. ‘Paul is er een tijdje verlamd door geweest. Hij heeft alles in het werk gesteld wat hij kon om de sloop tegen te houden. Ik zag van dichtbij dat het hem veel pijn deed. Het was zijn geesteskind.’ Herman Mulders vindt het ook zelf nog altijd eeuwig zonde dat dit authentieke en markante gebouw tegen de vlakte moest. ‘Jammer! Dat pand had een enorme uitstraling en rijke historie. In het interieur en ook aan de buitenzijde van de discotheek zag je daar nog allerlei elementen van terug. Dat maakte het zo uniek. Mensen hebben het er nu nog over.’ De sloop van de Gouden Leeuw mag Paul Borghuis dan emotioneel niet onberoerd hebben gelaten, het weerhield de zakenman in hem er niet van om bij de onderhandelingen met de gemeente een fatsoenlijke uitkoopsom te bedingen. Die kreeg hij ook. Met een grijns stelt hij na al die jaren vast: ‘Ik weet nog goed dat de gemeenteraad vond dat ik er veel te veel geld voor had gebeurd….’

St. Josephgebouw

Op zoek naar een vervangend pand viel het oog van Paul Borghuis op de dan leegstaande zaal van het historische St. Joseph vakbondsgebouw aan de Molenstraat, waar de familie Aarninkhof aan de voorzijde een café uitbaatte. De achterzaal was al sinds het begin van de jaren ’60 in gebruik als poptempel avant la lettre, eerst als de Brasie Beatclub van de heren Brand en Siers. Zij slaagden er in december 1967 in om de Golden Earrings (toen nog met een s) naar Oldenzaal te halen. Toen Brand en Siers er kort daarna de brui aan gaven, meldde een piepjonge Jan van Gils zich bij eigenaar Aarninkhof om de jeugdclub voort te zetten. Van Gils woonde op dat moment in Heiloo, waar hij als verpleger werkzaam was in een psychiatrische inrichting. In de weekends was hij in Oldenzaal, bij zijn ouders. Hij was kind aan huis in de Brasie Beatclub en kon goed overweg met eigenaar Aarninkhof. Van Gils, die na een veelbewogen leven en carrière inmiddels van zijn pensioen geniet: ‘We waren er snel uit. Aarninkhof zei: Als jij de zaal doet, dan doe ik de drank.’ Van Gils veranderde de naam van de beatclub in ‘Popcentrum Fantasio’ en legde het accent op live-optredens van populaire bands in die tijd. Op de avonden dat er geen concerten waren liet hij lokale dj’s draaien. Zo jong als hij was, wist Jan van Gils – onder de naam Organisatie- en Persbureau ‘Farao’ – in no time het vertrouwen te winnen van onder meer het landelijke organisatiebureau Paul Acket. Die contacten stelden hem in staat om alle grote Nederlandse bands uit die tijd als Ekseption, Focus, Earth & Fire, Long Tall Ernie and the Shakers, Bolland & Bolland, Livin’Blues, Super Sister en Shocking Blue naar Oldenzaal te halen. Van Gils programmeerde de live-concerten altijd op de zaterdag. Hij kwam dan vanuit Heiloo naar Oldenzaal, maakte de zaal in orde en zorgde er voor dat de roadies aan de slag konden. ‘De crew en bandleden aten altijd bij hotel De Zon, meestal boerenkool.’ Van Gils pakte de zaken meteen groot aan. Zo adverteerde hij met zijn concerten in Hitweek en richtte zich ook op de Duitse markt. Van Gils ging ook financiële risico’s niet uit de weg. ‘In feite was elke band die je boekte een risico, want de meeste waren nog geen gevestigde namen. Een groep als Livin’ Blues kostte in die tijd iets van 1400 gulden, dus dan was het risico niet zo groot, met 5 gulden entree. Dat lag anders met Focus. Die kostte 7000 gulden, de duurste groep die ik in die tijd gehad heb. Dan verhoogde ik gewoon de entreeprijs wat en zo sprong ik er dan uit. Het was ook wel eens zo, dat ik na zo’n weekend een compleet lege portemonnee had.’

De Olifant

Toen begin jaren ’70 de Trio Club van Paul Borghuis aan de Grootestraat goed ‘op stoom’ was gekomen, merkte Jan van Gils dat de klandizie voor zijn Popcentrum Fantasio geleidelijk terug liep. In 1974 was de concurrentie zo heftig geworden, dat hij de handdoek in de ring gooide. De deur ging op slot en Jan van Gils ging bij zijn vader in de meubelzaak werken. Na verloop van tijd begon hij opnieuw, nu met een discotheek in het Duitse Lage, net over de grens bij Ootmarsum. In 1984 zou hij opnieuw de concurrentiestrijd aangaan met Paul Borghuis, die dan in het voormalige kantoor van Gelderman is begonnen aan zijn grootste avontuur: de Jumbo Dancing.  Van Gils noemde zijn discotheek in Overdinkel – niet geheel toevallig – De Olifant. Ook daar programmeerde hij met enige regelmaat grote Nederlandse bands, maar ook internationale acts.

Jan ten Heuw

Dat alles was nog verre toekomstmuziek, toen Paul Borghuis in de tweede helft van de jaren ’70 zijn Trio Club voortzette in ’n Oaln Bond aan de Molenstraat. Herman Mulders daarover: ‘De keus voor het St. Joseph-gebouw is achteraf gezien bepaald geen verkeerde geweest. Ook dat gebouw had vanuit de historie natuurlijk een heel bijzondere betekenis en het had uitstraling.’  Ook Jan ten Heuw was direct betrokken bij de dramatische tijd rond de gedwongen sloop van De Gouden Leeuw en de verhuizing naar ’n Oaln Bond aan de Molenstraat, het huidige stadstheater De Bond. Ruim een half jaar was nodig om van het voormalige vakbondsgebouw met theaterzaal, toneel en galerij een moderne discotheek te maken. Ten Heuw, die in 1978 als technisch directeur in vaste dienst kwam bij Paul Borghuis: ‘Eigenlijk vanaf het begin dat het open ging was het meteen weer druk.’

Charles Stender

Met veel plezier diept Jan ten Heuw een anekdote uit die tijd op over Charles Stender, de vaste reclameschilder van bierbrouwer Grolsch. Deze pure ambachtsman werd gevraagd om op de twee grote, monumentale ruiten aan de straatzijde de tekst ‘Grolsche bieren’ te schilderen. ‘Die man schilderde in die tijd alle vrachtwagens van Grolsch; allemaal uit de losse hand. Heel bijzonder. Op de bewuste morgen dat hij zou komen, waren wij met een paar man extra vroeg in de weer om de ruiten uit het kozijn te halen en voor hem klaar te leggen in de zaal. Om half negen lag alles klaar, maar geen meneer Stender te bekennen. Wel zat er aan de bar een heel klein mannetje met trillende handen. Dat is uw man, zei de vertegenwoordiger van de Grolsch. Geef hem wat te drinken, dan komt het helemaal goed. Om een lang verhaal kort te maken, vijf flessen jenever en drie dagen verder waren de ruiten prachtig beschilderd met de woorden Grolsche bieren. Met een rollende fles als steun onder zijn pols kwam hij tot een fenomenaal resultaat. De goede man is er nog dik in de negentig mee geworden.’ Het alcoholarme Stender-biertje van Grolsch is naar hem vernoemd.

Polonaises

In de eerste jaren van de Trio Club draaide Jan nog muziek, voordat het geleidelijk werd overgenomen door Laurens Spit op de zaterdagavond en Mans Prinsen op de zondagavond. ‘Wat ik nog wel heel lang gedaan heb - tot 1985 - was draaien tijdens de carnaval. Dat was mij op het lijf geschreven. De Trio Club was dan al weken in het voren uitverkocht. Geweldig om steeds weer die polonaises in gang te zetten’, vertelt Jan, die tussen de bedrijven door ook nog eens viel voor Nettie Verweij, die achter de bar werkte. Beiden zijn nog altijd samen en wonen in Hengelo. Jan ten Heuw werd door Paul Borghuis meer en meer betrokken bij de praktische leiding op de uitgaansavonden en zag vanuit die functie hoe de Trio Jeugdclub maar steeds niet echt van de grond wilde komen. ‘Toen heb ik tegen Paul gezegd: laat mij het doen. We hebben toen heel Oldenzaal vol gestouwd met gratis consumptiebonnen. We gingen naar de middelbare scholen en zochten daar de populairste meisjes uit. Zij mochten zelf weten aan wie zij de bonnen gaven. Ons idee was dat als de meisjes komen, dan volgen de jongens vanzelf.’ In de periode dat Paul Borghuis met Herman Mulders hun energie overwegend richtten op het oude Geldermancomplex, waar ze met de Jumbo Dancing een heel nieuwe weg in wilden slaan, bleef Jan ten Heuw werken in de Trio Club. Hij kreeg daar alle ruimte om landelijk bekende artiesten te contracteren. Op werkbezoek in Amsterdam liep hij in een kroeg ene André Hazes tegen het lijf, die met zijn liedje ‘Eenzame Kerst’ een beetje bekendheid had verworven. ‘Ik contracteerde hem, maar steeds weer was hij ziek of had iets anders onder de leden. Daardoor werd het steeds verschoven. Ondertussen werd Hazes steeds bekender. Toen kwam hij dus toch en was het hek van de dam. Daarna hebben we nog veel meer bekende artiesten gehad, zoals Maywood, Anita Meijer, Doe Maar, Dolly Dots en nog velen meer.’

Boerderij

In die tijd kocht Paul Borghuis een leegstaande boerderij aan de voet van de Tankenberg. Niet om er zelf te gaan wonen, maar om de artiesten en bands met hun crew die optreden in de Trio Club een plek te bieden waar ze konden overnachten. Borghuis: ‘Ik was jaarlijks een vermogen kwijt, omdat ik al die mensen moest onderbrengen in hotels. Uiteindelijk bleek het voor mij goedkoper om die boerderij te kopen en de artiesten en hun technici vonden het prachtig om zo’n plek te hebben waar ze hun gang konden gaan.’ Over wat zich daar in die jaren allemaal heeft afgespeeld in de nachtelijke uren, doen in Oldenzaal nog altijd de wildste verhalen de ronde. Verifieerbaar zijn die verhalen niet, want de muren van de oude boerderij, waar Paul Borghuis te midden van relieken uit de roemruchte Trio-tijd nog altijd woont, mogen dan oren hebben gehad, ze spreken nog altijd niet…..

Mooie tijd

Het einde van het horecabestaan van Jan ten Heuw diende zich aan toen de grote optredens verhuisden naar de Jumbo Dancing en hij de indruk kreeg dat het discotheekgebeuren geleidelijk minder zou worden. ‘Ik voelde dat ik aan mijzelf moest denken en verder moest kijken.’ Jan ten Heuw kwam uiteindelijk  terecht bij het Twickel College in Hengelo als administratief medewerker. Hier ontwikkelde hij zich tot coördinator voor de examen- en toetsweken. ‘Het was een verdraaid mooie tijd in Oldenzaal en ik heb er een hele hoop vrienden aan overgehouden.’ Het jaarlijkse hoogtepunt bij de Trio Club blijft voor Jan ten Heuw toch wel het carnaval van woensdag tot woensdag. ‘Het Carmel Lyceum was er op woensdag, het Thij College op donderdag, de TRIO Jeugdclub op vrijdag en daarna de carnavalsdagen. Een tijd om nooit te vergeten.’

 

Fotomateriaal: Beschikbaar gesteld door de gemeente Oldenzaal en diverse privé collecties.

In het boek “Een verdraaid mooi tijd” wordt de opkomst en neergang van Oldenzaal als discostad beschreven. Het boek is te koop bij de (regionale) boekhandel.

Reacties

afbeelding van Hendrik
De foto van Cafe Restaurant Roord dateert niet uit de 60-er jaren maar is ca. 1980. Onbelangrijk, misschien, maar wat zegt dit over de accuraatheid van al uw overige informatie?
afbeelding van jan evers
ik ben in 1943 op loopafstand van dit pand geboren en vind het nog steeds accuraat!