Geplaatst door: 
Verhaal

Apollo 11 voor Ine Vlutters ‘enorme sprong’ in de horeca.

Auteur: 
Ben Siemerink en Harry Jutten

Het mag duidelijk zijn dat bar-discotheek Apollo 11 nog altijd bijzondere warme gevoelens oproept onder de babyboomers, althans voor hen van wie de jeugd zich in Oldenzaal of omgeving afspeelde. Jan en Rie Liedenbaum hadden werkelijk geen idee van de enorme gevolgen toen zij besloten het roer in hun traditionele buurtcafé De Waag radicaal om te gooien en er een bar-discotheek voor de jeugd van te maken. Oldenzaal zou nooit meer hetzelfde zijn. Ine Vlutters-Klieverik vindt het, als medewerkster van het eerste uur, niet zo moeilijk om haar werkomgeving te beschrijven in het omgebouwde café op de hoek van de Waagstraat en de Boterstraat. ‘Het interieur was zo gemaakt dat zelfs een blind paard er niets kapot kon lopen. Met wat oude bloemetjesgordijnen, frivole posters, een net van geknoopt touw aan het plafond, opgehangen muziekinstrumenten boven de bar en een ronde discotafel werd het interieur jongeren-proof gemaakt. In het begin was er één bar, later is de achterbar erbij gebouwd door de jongens van het personeel.’


Een ander beeld dat Ine na ruim veertig jaar nog altijd helder voor ogen staat is de lange rij jongeren voor de deur. Ze stonden te trappelen om naar binnen te mogen. Het speelde zich allemaal af in een tijd dat er voor de jeugd weinig tot niets te beleven viel in Oldenzaal. Ook de datum van de opening is zo’n markant feit dat Ine onmogelijk kan vergeten. ‘Het was op dezelfde dag dat in Amerika de Apollo 11 werd gelanceerd, 19 juli 1969.’ Het aannemen van een baantje achter de bar bij Jan en Rie in de Apollo 11 was een kleine stap voor Ine en tegelijk een enorme sprong in haar verdere leven, want de horeca zat nu definitief in haar DNA. Terwijl de Apollo-astronauten Neil Armstrong en Buzz Aldrin lichtvoetig over de maan dansten, deden de Oldenzaalse jongeren hetzelfde op het vloertje voor de discotafel, waar de nog jonge Herman ‘Fluitje’ Vlutters alle hitsingles en populaire langspeelplaten in grote bakken voor zich had staan. ‘Ik heb er werkelijk nooit een dag spijt van gehad dat ik daar ben gaan werken. Ik heb een geweldige tijd gehad’, wil Ine maar meteen gezegd hebben. Zij had in de tijd een baan als receptioniste en telefoniste bij De Schakel, de toenmalige sociale werkplaats.

Rebelse boel
‘Het werken achter de bar in de Apollo heeft mij zo ongelofelijk veel gebracht. Dat had ik echt voor geen goud willen missen. We hebben onderling ook zo ontzettend veel lol gehad. Het was op zich best een rebelse boel. Het wonderlijke is misschien wel dat bijna alle jongeren van toen, die bij Apollo op één of andere manier aan het werk waren, in de horeca verder zijn gegaan.’ In dat illustere rijtje, met namen als Toon Tibben, Hans ter Stege, Willy Wekking of Jacques van Maanen neemt Ine ook zelf een markante plaats in. In muziekman Herman Vlutters vond ze de liefde van haar leven. In de Apollo deden Ine en Herman de ervaring en het enthousiasme op om jaren later aan de Steenstraat hun eigen zaak te openen; het illustere en tamelijk alternatieve café ’t Grösmèejeke.

Schoonmaken
Terugkijkend op haar tijd bij Apollo schiet Ine de ene na de andere herinnering te binnen en steeds gaat dat gepaard met een big smile. Zelfs van het onvermijdelijke schoonmaken na iedere avond tappen wist het Apollo-team nog een gezellige boel te maken, al was het maar omdat Jan Liedenbaum altijd wel iets lekkers in het vet of de pan had als alles ‘mooi an kaant’ was. Het verhaal van Ine en de Apollo-bar begint bij haar collega Rita Veltman die op een morgen uitgelaten en tamelijk munt van het uitgaan op het werk kwam. ‘Rita heeft ettelijke maandagmiddag een uurtje in het magazijnhok doorgebracht om af en toe een uurtje slaap in te halen van het “brakke” avondje ervoor.’ Waar Rita nou toch geweest was… ze was heel gezellig en apart uit geweest in een nieuwe discotheek. Het was iets compleet nieuws en Rita vond beslist dat Ine het ook een keer mee moest maken. Rita had ook gezien dat er personeel gevraagd werd. Zo viel alles op de plek. Het was precies het avontuurlijke dat Ine miste tijdens haar dagelijkse werk achter de balie en aan de telefoon. Toen Ine zelf een kijkje ging nemen was het voor haar meteen duidelijk dat dit ‘the place to be’ was. Hier gebeurde het. Ine vroeg en kreeg werk achter de bar. Na een eerste werkavond was het traditie dat nieuw aangenomen personeel, na sluiting en schoonmaak, met de kont in de spoelbak ging. Dan was de nieuwe collega ‘ingewijd’. Ine: ‘Ik ontkwam eraan doordat we die avond een live-artiest in de zaak hadden, ene Rick Abao. In plaats van de gebruikelijke doop moest ik in mijn rode maxi-jurk een rondje over de bar moest kruipen. Dat was mijn vuurdoop.’

Geweldige plek
Ine herinnert zich dat het eigenlijk vanaf het begin meteen heel erg druk was. ‘In die tijd was er weinig tot niks te doen in Oldenzaal voor de jongeren. Zo’n discotheek was daarom precies waar men op zat te wachten. Het was natuurlijk een geweldige plek om leeftijdsgenoten tegen te komen. Het was zo ongeveer vanaf 17 en 18 jaar dat men naar binnen kon.’ Volgens Ine bewijst het feit dat de jongeren al om acht uur ’s avonds in drommen voor de deur stonden dat er een grote behoefte was aan zo’n uitgaansgelegenheid. ‘Later op de avond kwamen ook de oudere gasten wel binnen. Dat ging dan zo door tot een uur of één.’ Ine vertelt dat het de klanten waren die voor een groot deel de muziekkeus bepaalden, want ‘Fluitje’ Vlutters liet als discjockey alle ruimte voor verzoekplaatjes. Hij deed dat niet in de laatste plaats, omdat er dan steevast als tegenprestatie een koud biertje zijn kant uit kwam. ‘Je had toen dat nummer In the year 2525 van Scott MacKenzie. Van één gast wisten we dat als hij binnenkwam, de discjockey meteen dat nummer opzette en dan zetten wij achter de bar het pilsje voor de discjockey al vast klaar. Zo had je meer van dat soort populaire liedjes. In the summertime van Mungo Jerry was ook zo’n nummer. ‘Als hij dat draaide stroomde de dansvloer vol.’ Verder herinnert Ine zich dat er heel veel muziek van The Stones werd gedraaid en van Top 40-formaties als The Eagles, Crosby, Stills, Nash and Young en natuurlijk ook de razend populaire BeeGees.

Smartlappen
‘We hadden klanten van werkelijk alle rangen en standen. Logisch dus dat ‘Fluit’ er wat later op de avond af en toe niet aan ontkwam om ook wat smartlap-achtige plaatjes te draaien, al werden deze meestal niet helemaal uitgedraaid.’ Ine vertelt over een groepje jongemannen uit Deurningen dat eerst altijd ergens anders ging dansen en dan naar de Apollo kwam voor een afzakkertje. Ze konden op een avond weer eens niet wegkomen; zo gezellig vonden ze het. ‘Ik lust nog wel emmer vol bier, zei één van de jongens toen we de laatste ronde in deden. Rie bedacht zich geen moment en gaf ze een emmer vol bier mee. Later hoorde ik dat ze ergens halfweg Deurningen achter elkaar de sloot in zijn gereden met de brommer.’ Ine herinnert zich geen noemenswaardige trammelant onder de gasten, hoewel de discotheek toch wel een wat rebels en opstandig imago had. In al die jaren liep het maar een paar keer zodanig uit de hand dat er met harde hand ingegrepen moest worden. ‘Als het echt nodig was dan zette Jan iemand wel eens buiten. Ik weet van sommige ouders dat ze het niet zo prettig vonden dat hun kinderen in de Apollo kwamen. Je zag ook wel eens ouders die hun zoon of dochter kwamen ophalen. Net als vandaag de dag eigenlijk.’

Stapels jassen
Apollo 11 was zodanig opgezet dat zelfs een blind paard er geen schade kan aanrichten. Die simpele aanpak gold ook voor de jassen, die in grote stapels achter de discotafel of in een hoek werden neer gesmeten. Een garderobe was er niet. Hoewel het personeelsteam van Apollo heel vrij werd gelaten door Rie en Jan, was de discipline en onderlinge saamhorigheid heel groot. Dat gold ook voor de bereidheid om een stapje extra te zetten voor de anderen. ‘Het gebeurde wel eens dat Herman Vlutters ‘even’ wegliep vanachter de discotafel en zei dat hij zo weer terug zou zijn. Soms kwam hij dan gewoon niet meer terug. Van één keer weet ik dat hij een meisje op de brommer helemaal naar Enschede bracht. Op zo’n moment was er altijd wel iemand als Frans Mensink, Jacques van Maanen of Laurens Spit om het over te nemen.’

Kattenkwaad
Het Apollo-team was niet alleen een hechte vriendengroep, maar er zat ook het nodige kattenkwaad in. Ine vertelt hoe ze op weg naar huis aan de Sloetsstraat wel eens bij Herman op de nek klom om her en der de reclameverlichting uit te draaien of allerlei reclameattributen van de gevels te halen.
In latere jaren was de Apollo van dinsdag tot en met zondag open. ‘We gingen dan wel eens op de maandagavond met ons allen naar Enschede om te stappen.’ Ine heeft nog altijd een bijzondere band met Toon Tibben. ‘Toon had wel een oogje op mij’, vertelt Ine. ‘Maar op een gegeven moment moest ik hem toch vertellen dat Herman het voor mij was. Het is allemaal wel goed gekomen met Toon. Je moet weten dat Apollo toen heel druk bezocht werd door meisjes die op de Losserhof en in het ziekenhuis intern woonden. Veel van hen hadden ook een kamer boven wat nu De Bisschop is. Toon werd daar heel vaak gesignaleerd.’ Tot op de dag van vandaag is de vriendschap met Toon nog altijd even hecht.

‘t Grösmèejeke
In 1977 kregen Ine en Herman de kans om een volgende grote stap te zetten en voor zichzelf te beginnen. Het werd een café aan de Steenstraat met de nog altijd illustere naam ’t Grösmèejeke, dat door Ine en Herman, samen met Ine’s zus Riet en zwager Ben Christenhusz, helemaal naar eigen idee en op eigen kracht werd ingericht. De naam ’t Grösmèejeke was overigens ontsproten aan het brein van Heinz Christenhusz, de broer van mede-eigenaar Ben. Het was de Twentse benaming voor een borrelglaasje zonder voet, dat boeren vroeger na het rogge of gras maaien in de grond konden steken, zodat het niet omviel. ‘Nog steeds krijg ik heel leuke opmerkingen over de inrichting’, zegt Ine.

‘De bar bijvoorbeeld was helemaal gemaakt van een verhuisbare parketvloer, meegenomen uit ons vorig woonhuis. Langs de wanden was een hoge lambrisering aangebracht. En zo waren er allemaal van dat soort details, waardoor het voor ons een heel eigen café werd met een unieke sfeer.’ Ine en Herman begonnen op 10 juni 1977 voor zichzelf en gingen boven het café wonen. De woonruimte was opgedeeld voor twee gezinnen en - vanwege gebrek aan ruimte én financiën – stond het bed van Herman en Ine in een hoek van hun grote woonkamer. Ook herinnert Ine zich dat ze eens, tijdens hun midweekje naar Center Parcs, inkwartiering hadden van een paar rechercheurs die duistere handel in de buurt vermoedden. Aan de overkant van de straat stonden in die veel gekraakte panden die goed in de gaten werden gehouden. Bij thuiskomst stond er een groot boeket bloemen op tafel met een bedankkaartje van de politie.

Artistiek volk
Ine vertelt dat ’t Grösmèejeke in alles een echt volkscafé was waar iedereen zich welkom voelde. ‘Allerlei artistiek volk was bij ons kind aan huis, zoals Henk Gotlieb, Sjef Sales en de broers Binnendijk. Dat gold ook voor een groepje van vier gedistingeerde heren die op woensdagmiddag onze vaste gasten waren. We spraken hen keurig aan met “meneer” en onder mekaar noemden we hen “de filosofen”, want ze zaten eindeloos met elkaar te delibereren over van alles en nog wat. Eén van die filosofen was een broer van de Toon Hermans; een heel deftige man die we dan ook keurig meneer Hermans noemden.’
Een andere markante gast op de woensdagmiddag was ‘opa’ Schievink. ‘Met z’n borreltje en z’n biertje behoorde hij tot de vaste gasten, waarmee de leeftijdscategorie van onze bezoekers maar eens duidelijk naar voren komt. We hadden gasten van 16 tot dik in de 80! Veel jongelui van het Carmel Lyceum kwamen in een tussenuur, pauze of spijbelend wel eens bij ons hun huiswerk maken of om gezellig te breien of te biljarten. Er zijn heel wat verkeringen bij ons ontstaan die uitmondden in langdurige relaties. Met velen van hen ben ik nog steeds bevriend.’ Ine herinnert zich nog een andere vaste gast die direct om de hoek woonde en soms ook met zijn vrouw kwam. Als hij een keer alleen was dan kon het gebeuren dat opeens rond vijf uur zijn hondje door de grote niendeur naar binnen kwam huppelen. Die man wist dan al hoe laat het was. ‘Ik moet gaan; mijn vrouw heeft het eten klaar.’ In het weekend werd het café geschikt gemaakt voor grotere bezoekersaantallen door het biljart met een stevige plaat af te dekken. ‘Hoewel we helemaal geen discotheek waren, gebeurde het regelmatig dat de mensen op het biljart stonden te dansen. Herman draaide gewoon muziek van achter de bar. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.’ Ine denkt met veel plezier terug aan allerlei bijzondere reisjes en activiteiten die op touw werden gezet. ‘Een wedstrijd chocomel met slagroom happen of zoveel mogelijk gehaktballen met mayonaise eten; hoe verzin je het?’

‘Herbergier’
Aangezien heel veel clubs in ’t Grösmèejeke hun thuishonk hadden, liet Herman in z’n paspoort onder het kopje beroep ‘herbergier’ vermelden. Ine: ’We hadden een biljartclub, maar ook een fiets-, dart-, reis-, voetbal- en schaakclub. Daarmee gingen we ook op reis naar internationale uitwisselingen, zoals naar Luxemburg voor de schaakclub en naar Engeland voor de voetbalclub.’ In de grote achterzaal werden feestjes, lezingen en vergaderingen gehouden. Hier stond het zogenoemde kouwe snaphap-assortiment met gevulde koeken, harde worst, hardgekookte eieren en wat dies meer zij. Dat alles was uitgestald op de hoek van het schap in een apothekersrek met ronde, bolle bokalen. Ine: ‘Op een avond ging ik eieren koken in de grote keuken achter, omdat deze op waren. Het was tegen elf uur. De gasten hadden ’s avonds nog wel eens moeite om de sluitingstijd van 01.00 uur in acht te nemen. Die avond echter begon iemand tegen half een te snuiven en zei: Ik ga nu naar huis. Ondertussen rekende de rest van het gezelschap ook af en vertrok meteen, de neus ophalend. Toen ik naar de grote keuken achter liep begreep ik ineens de supersnelle aftocht van iedereen. Vanuit de achterhal kwam mij een weeïge, zwavelachtige geur tegemoet. Een ongelofelijke lucht. In de grote keuken lagen de eieren droog gekookt groen in de pan en enkele exemplaren waren tegen het plafond kapot geknald. Ik was ze compleet vergeten. Nog nooit hadden we de zaak zo vroeg leeg gehad.’

Einde
Zo plotsklaps als het horeca-avontuur van Ine Vlutters begon, zo abrupt kwam er ook een einde aan. Op 2 oktober 1982 kreeg Herman Vlutters een fatale hersenbloeding tijdens een vrolijk verlopen vrijgezellenavondje in de Oldenzaalse binnenstad. Het gebeurde bij ’t Siepelke. Voor Ine was op dat moment meteen duidelijk dat het over was en dat doorwerken in haar café geen optie was met twee heel jonge kinderen in huis. Ben Christenhusz en Mirjam van Deth hebben het café nog een tijdje draaiende gehouden, maar begin ’85 is het definitief over. ’t Grösmèejeke werd nooit meer wat het was, zoals in de gouden dagen met ‘Fluitje’ als echte caféman achter de bar. Ine:‘Herman was overal.’

Reacties